Home Artikelen De ongrijpbare menselijke geest

In Tijdgeest wordt iedere editie het verleden, heden en de toekomst van de kijk op een fenomeen of ontwikkeling besproken. Deze editie: Psychische stoornissen.


Dit artikel verscheen eerder in de tweede editie van de ANS-krant.

‘Bereid je voor op een lange, strenge coronawinter: “Het wordt taai’’’, kopte Het Parool begin oktober. Bij het openslaan van de krant komt een angstaanjagend toekomstperspectief je tegemoet: lockdowns, geen zicht op een coronavaccin en een kerst zonder samenzijn. Door deze beeldvorming lijkt het alsof corona een enorme impact heeft op ons psychisch welzijn. Dit is echter niet het geval, vertelt Peter van der Velden, gezondheidspsycholoog aan de Universiteit van Tilburg (UvT): ‘Alle studies wijzen erop dat het aantal mensen met psychische klachten stabiel blijft.’ Volgens de Geestelijke Gezondheidszorg krijgt namelijk ongeveer vier op de tien Nederlanders in zijn of haar leven te maken met psychische klachten.

We hebben dus wel kwaaltjes, maar dit betekent zeker niet dat we allemaal een depressie of een angststoornis hebben. Toch lijkt het door de grote hoeveelheid media-aandacht voor psychische problemen alsof het aantal serieuze stoornissen in tijden van corona sterk is toegenomen. Is er altijd zoveel aandacht voor het geestelijk welzijn geweest en wat is het effect van al die aandacht eigenlijk?

Verleden: Duiveluitdrijvingen en wetenschap

Tot aan de negentiende eeuw was er nog geen wetenschappelijke belangstelling voor psychische stoornissen. De meeste verklaringen voor ongewoon gedrag waren religieus van aard. Een uitleg was bijvoorbeeld dat iemand bezeten was door de duivel. ‘Dan werd er een pastoor of dominee gehaald en kon er een exorcisme worden uitgevoerd’, vertelt Giel Hutschemaekers, hoogleraar Geestelijke Gezondheidszorg aan de Radboud Universiteit (RU). ‘In die tijd was dat een adequate verklaring.’

Mensen vertoonden onverklaarbaar gedrag nadat de wereld van de stedelijke bevolking op zijn kop was gezet.

De kijk op abnormaal gedrag veranderde drastisch in de negentiende eeuw. Toen begon de ontkerkelijking en kreeg de wetenschap meer aanzien. ‘Met de uitbreiding van universiteiten kregen geesteswetenschappen daarbinnen een plek. Zodoende begonnen disciplines als psychiatrie en psychologie zich te vormen’, vertelt Anneleen Arnout, universitair docent Emotie- en Consumptiegeschiedenis aan de RU. In haar bronnenonderzoek zag Arnout dat de middenklasse in steden meer interesse kreeg in die wetenschappelijke verklaringen. Dit was van grote invloed op de uitbreiding van de psychologie omdat veel beleid door de middenklasse werd gemaakt. ‘Ineens zie je in kranten en tijdschriften psychologische termen als agorafobie en kleptomanie circuleren’, vertelt Arnout.

Ze plaatst die ontwikkeling in de context van de veranderende maatschappij van toen: ‘De economie industrialiseerde en commercialiseerde, steden groeiden enorm snel en de stedelijke ruimte, waaronder straten en pleinen, werd onder handen genomen.’ De wereld van de stedelijke bevolking werd op zijn kop gezet. Daarop gingen mensen soms vreemd en moeilijk te verklaren gedrag vertonen. Psychologie bleek een adequate manier om dit toch uit te leggen. De diagnose kleptomanie ontstond bijvoorbeeld in een periode waarin vrouwen uit de middenklasse begonnen te stelen. ‘Dat gedrag was meer iets voor de lagere klassen’, aldus Arnout. De enige manier om het te begrijpen, was door het te bestempelen als een psychische ziekte. Religieuze verklaringen en duiveluitdrijvingen stopten dus niet spontaan, maar de psychologie kwam simpelweg meer onder de aandacht bij de middenklasse.

Heden: Taboes en trauma’s

Vandaag de dag wordt de ene psychologische stoornis zonder schaamte gedeeld, waar de ander minder goed te begrijpen is en om die reden volkomen in de taboesfeer ligt. Voor dat eerste heeft de ontdekking van de oorzaken van posttraumatische stressstoornis (PTSS) grote gevolgen gehad, vertelt gezondheidspsycholoog Van der Velden: ‘Dat heeft gezorgd voor meer erkenning van trauma’s in het algemeen.’ Hij vertelt dat bijvoorbeeld politieagenten met PTSS tijdens professionele bijeenkomsten uit eigen initiatief over hun stoornis vertellen. Er rust dus geen taboe op deze psychische stoornis meer. Dit komt volgens Hutschemaekers omdat ziektes als PTSS relatief eenvoudig te verklaren zijn: ze hebben een eenduidige ervaring als oorzaak: ‘Het wordt ingewikkeld wanneer er onvoldoende verklaringen zijn.’ Omdat depressies vaak niet te verklaren zijn aan de hand van zo’n concrete aanleiding, rust op zulke stoornissen nog wel een taboe.

‘De aandacht van nieuwsmedia is enkel gericht op negatieve resultaten.’

Ondanks dat taboe rondom onverklaarbare stoornissen, schreeuwen nieuwsmedia moord en brand over het aantal mensen dat eraan lijdt. Hierdoor is een vervormd beeld ontstaan van psychische stoornissen en de mate waarin mensen ermee te kampen hebben. Van der Velden verklaart dit ongenuanceerde beeld als volgt: ‘De aandacht van nieuwsmedia is enkel gericht op de negatieve resultaten terwijl wetenschappelijk onderzoek een veel gevarieerder beeld van de situatie aantoont. Er zijn natuurlijk extreme gevallen van psychische stoornissen, maar dit is zeker niet de norm.’ Nieuwsmedia creëren dus een schijnrealiteit van deze stoornissen waardoor de terminologie door lezers verkeerd wordt opgevat en vervlakt in betekenis. ‘Gezonde mensen beschrijven hun scheiding of mislukte studie eenvoudig als een traumatische ervaring om hun verdriet te verzwaren’, aldus Van der Velden. Zo wordt er steeds meer gesproken over psychische stoornissen, maar durven mensen die daar serieus aan lijden er nog steeds nauwelijks over te praten.

Toekomst: De heilige graal

Er rusten dus nog steeds taboes op psychische stoornissen. Of deze worden doorbroken is afhankelijk van zowel het beeld dat door de media wordt gevormd als neurologisch onderzoek naar een eenduidige oorzaak van psychische stoornissen. Zo lang de nieuwsmedia hun huidige beeldvorming in stand houden, zullen zij het gesprek rondom psychische stoornissen niet makkelijker maken. Hierdoor ligt de focus hoofdzakelijk op neurologisch onderzoek naar eenduidige oorzaken om los te kunnen komen van het taboe.

‘Een stofje dat stoornissen aanwijst, zou de heilige graal zijn.’

Vooral neurologisch onderzoek naar de hersenprocessen die schuilgaan achter een stoornis, zou een belangrijke stap kunnen zijn richting de acceptatie van sommige psychische diagnoses. ‘Een stofje in de hersenen die psychische stoornissen kan aanwijzen, zou de heilige graal zijn voor psychologen’, vertelt Hutschemaekers. ‘Dan kun je makkelijker het verschil aangeven tussen bijvoorbeeld somberheid en een depressie’, vervolgt hij. Hierdoor zou er minder ruimte overblijven voor brede interpretaties van wat een psychische stoornis zou zijn. Zo’n stofje in de hersenen zou echter niet de oorzaak van zulke stoornissen nader verklaren. ‘Je weet dan nog steeds niet of die chemische reactie in je hersenen de oorzaak of het gevolg is van de klacht’, aldus Hutschemaekers. Of zulke neurologische bevindingen de behandeling van psychische stoornissen zal verbeteren, is dus nog maar de vraag. Oorzaak of gevolg, de stand van de gesteldheid van mensen die aan deze ziektes leiden is er niet mee opgelost. Zij zullen altijd nog een aparte behandeling moeten krijgen om om te kunnen gaan met hun geestelijke klachten. Zowel de psychologie als psychiatrie zal nodig blijven om hen daarmee te helpen. De menselijke geest zal dus ook in de toekomst lastig te vangen blijven voor zowel experts als burgers.

Het is afwachten totdat er een neurologische doorbraak plaatsvindt. Zolang dat duurt, zal het ongrijpbare karakter van de menselijke geest ertoe leiden dat mensen hun eigen interpretatie geven aan psychische stoornissen.

Gerelateerde artikelen

Laat een reactie achter