Home Artikelen In Transitie: Kantooriaans

Voor je het weet, sta je met een diploma in je handen, begin je aan een grotemensenbaan en is je studententijd voorbij. Columnist en ex-student Aan-Age Dijkstra deelt hier zijn inzichten over zijn overgang van het vrije studentenleven naar een degelijk burgerbestaan.


Enigszins beduusd staarde ik naar het grote scherm in de vergaderruimte. ‘Herpositionering sociale teams’, stond op de powerpointsheet. De collega naast mij zei dat dit echt een onderwerp was dat integraal moest worden opgepakt. De andere aanwezigen knikten driftig. ‘We moeten dit blauw aanvliegen’, hoorde ik iemand zeggen. Ik mompelde iets en deed alsof ik een aantekening maakte.

Mijn eerste weken op kantoor waren alsof ik plots op een Limburgse familieverjaardag was verzeild: ik herkende soms wat woorden, maar in grote lijnen had ik geen idee wat er werd gezegd. Iedereen had het erg gezellig met elkaar en ik lachte een beetje mee. In plaats van vlaai en flesjes Alfa stond er een kan koffie op de vergadertafel.

Met mijn verbeterde kantoortaalvaardigheid groeide ook mijn ergernis over het taalgebruik.

Gelukkig raakte ik snel ingeburgerd. Een paar maanden na mijn verwarrende entree in het kantoorleven verstond ik al een aardig woordje Kantooriaans. Ik wist nu dat ‘blauw’ stapsgewijs betekent en een ‘aanvliegroute’ een plan-van-aanpak is. Tot mijn eigen verbazing hoorde ik mezelf soms ook termen gebruiken als ‘uitkristalliseren’ en ‘inschieten’.

Samen met mijn verbeterde kantoortaalvaardigheid groeide echter ook mijn ergernis over het vage taalgebruik. Het was me een raadsel waarom we in verdekte termen spraken en niet gewoon zeiden wat we bedoelden. Was het kantoorleven zo saai dat het nodig was het interessanter te laten lijken met onverstaanbaar jargon? Verbloemden mensen zo dat ze zelf ook niet wisten wat ze aan het doen waren? Of was de taal onderdeel van een bredere kantoorcultuur?

Het was in ieder geval niet wat ik me van het werkende leven had voorgesteld. Toen ik nog studeerde en me door wetenschappelijke artikelen over frameworks en paradigma’s moest ploegen, verlangde ik er soms naar om aan het werk te gaan. Niet meer dat abstracte wetenschappelijke geneuzel, maar klare taal waar je iets mee kunt in je werk. In plaats van beleidsproblemen bediscussiëren en indelen volgens typologieën, wilde ik praktisch en oplossingsgericht te werk gaan. In werkelijkheid gebeurde dat allesbehalve en bleek de taal zelfs nog vager.

Het kantoorjargon bleek een symptoom van vaag werk te zijn.

Het was echter niet alleen het kantoorjargon waar ik me aan ergerde: de taal bleek een symptoom van vaag werk te zijn. Ik verlangde juist naar concreet en tastbaar werk, waar ik resultaten van zag en waarvan ik kon uitleggen wat het inhield. De realiteit was dat we genoodzaakt waren om termen als ‘laaghangend fruit’ en ‘stip op de horizon’ te gebruiken om het abstracte kantoor- en managementwerk te kunnen duiden. In mijn anderhalf jaar als gemeentelijk beleidsmedewerker heb ik dan ook geen enkele inwoner gezien op wie mijn werk van invloed was. Ik sprak daarentegen wel talloze managers.

Mede vanwege de vaagheid en afstand tot de praktijk heb ik een tijdje geleden mijn baan opgezegd en ben ik nu op zoek naar nieuw werk. Zou ik als academisch geschoolde überhaupt werk kunnen vinden waarin concreet taalgebruik wordt gehanteerd of ben ik gedoemd tot een vage kantoorbaan? Hoe dan ook, prio is nu eerst om te bepalen hoe ik de zoektocht naar een nieuwe uitdaging ga aanvliegen.

Gerelateerde artikelen

Laat een reactie achter