Home Artikelen In Transitie: Op een brommer door Vietnam

Voor je het weet, sta je met een diploma in je handen, begin je aan een grotemensenbaan en is je studententijd voorbij. Columnist en ex-student Aan-Age Dijkstra deelt hier zijn inzichten over zijn overgang van het vrije studentenleven naar een degelijk burgerbestaan.


Het is voor de huidige lichting corona-afstudeerders amper meer voor te stellen: een baan vinden voor je bent afgestudeerd. Ik was vorig jaar, pre-coronatijd, druk bezig met mijn scriptie toen ik een berichtje kreeg op LinkedIn: dat mijn cv goed aansloot bij de vacature voor een traineeship en of ik hierover een keer in gesprek wilde gaan. Waarom ook niet, dacht ik. Een vrijblijvend kopje koffiedrinken kan geen kwaad. Vijf weken later stond ik me voor te stellen aan mijn nieuwe collega’s.

Van de meeste familieleden en vrienden ontving ik de gebruikelijke felicitaties, maar ik kreeg ook een kritische vraag gesteld. ‘Ben je er eigenlijk al klaar voor om te gaan werken?’, vroeg een vriend aan mij. ‘Zou je niet’ – en daar kwam het – ‘eerst nog een tijdje willen reizen?’

Een tijdje reizen, bij die optie had ik helemaal niet stilgestaan. Er was mij een baan in de schoot geworpen, maar had over alternatieven amper nagedacht. Het was geen gek idee. Op reis kon ik immers nog het ultieme gevoel van vrijheid ervaren, voordat ik me in het keurslijf van een negen-tot-vijfbaan zou schikken.

‘Met een nieuw perspectief op de wereld zou ik terugkeren naar Nederland.’

Ik zag het voor me: op reis kon ik intuïtief ergens heen gaan en wel zien waar ik zou belanden. Ik zou een enkeltje naar Vietnam kunnen boeken en gewapend met een backpack en Lonely Planet het land doorkruisen op een gehuurde brommer. Ik zou met een bootje naar een oogverblindend strand in een verlaten baai kunnen varen. Hier zou ik aan een van de andere driehonderd toeristen vragen een foto van me te maken, precies uit de juiste invalshoek zodat het voor mijn Instagram-volgers lijkt alsof ik daadwerkelijk op een verlaten strand ben. Daarna zou ik kunnen doorvliegen naar Chili, in een krakkemikkig hostel andere backpackers ontmoeten en samen vier dagen over de Inca-trail naar Machu Picchu hiken, om ons vervolgens te beklagen over de horden toeristen die met de trein zijn gekomen. Van reizen hadden zij niets begrepen. Mijn reis zou ik kunnen afsluiten in Afrika met vrijwilligerswerk in een Oegandees weeshuis. Ik zou daar een band opbouwen met de kinderen, ze zouden zich aan mij gaan hechten en na een maand zou ik vertrekken en de kinderen huilend achterlaten in afwachting op een nieuwe tijdelijke westerse vrijwilliger. Met een nieuw perspectief op de wereld zou ik terugkeren in Nederland.

In plaats van aan een strandbar op Bali zit ik echter onder een systeemplafond in Amersfoort. Ik heb mijn scriptie afgerond en ben aan de baan begonnen waar ik een contract voor heb getekend. Intuïtief greep ik een kans die voorbijkwam, zonder te weten wat het me zal brengen. Dat maakt ook niet uit: ik zal wel zien of het werk me ligt, misschien een nieuw perspectief ontwikkelen en in ieder geval nadenken over wat ik belangrijk vind in het leven. Als het me niet meer bevalt, kan ik altijd weer vertrekken.

Mij mocht dan verwonderd de vraag worden gesteld waarom ik niet op reis ging, ik verwonder me op mijn beurt dat ‘op reis gaan’ blijkbaar een vanzelfsprekendheid is geworden. In mijn bubbel van hoogopgeleide jonge mensen wordt reizen gezien als een uniek en levensverrijkend avontuur, maar tegelijkertijd lijkt het gebruikelijker om wel met een backpack de wereld rond te trekken dan dat niet te doen. In hoeverre is reizen daarmee nog een oprechte zoektocht naar vrijheid? In plaats van de gebruikelijke wereldreis te maken, ben ik nu al werkende ‘mezelf aan het ontdekken’. Misschien is juist niet op reis gaan wel vrijheid.

Gerelateerde artikelen

Laat een reactie achter