Home Artikelen Sportsentiment

In Tijdgeest wordt iedere editie het verleden, heden en de toekomst van de kijk op een fenomeen of ontwikkeling besproken. Deze editie: teamsport.


Iedereen kent het beeld van ouders in het weekend langs de zijlijn en trouwe supporters juichend in hun stamkroeg. Het staat in schril contrast tot de lege sportvelden en kantines waar de coronapandemie toe leidde. Ook in de toekomst zullen de velden van de teamsportverenigingen leger worden als gevolg van het toenemend individualistische karakter van de samenleving. Steeds vaker kiezen sporters ervoor om niet meer in teamverband bij een vereniging te sporten. De interactie op het voetbalveld wordt ingewisseld voor een ticketuur voetbal bij een sportcentrum. De toekomst van veel teamsportverenigingen is dan ook onzeker. Hoe kan het dat de populariteit van deze verenigingen langzamerhand verdwijnt en wat zegt dat over de toekomst?

Verleden: Engeland op bezoek

Kostschooljongens waren de eersten in Nederland die in aanraking kwamen met teamsporten. ‘Dit gebeurde voor het eerst in 1845 op jongensinstituut Noorthey’, aldus Jan Luitzen, sporthistoricus aan de Radboud Universiteit (RU). ‘Engelstalige docenten namen vanuit hun thuisland sportspullen mee naar de lessen.’ Vanwege het chique karakter van de kostscholen werd teamsport al gauw gezien als een elitaire activiteit. Onder andere cricket, hockey en voetbal werden razend populair onder de jongens en zowel op school als in de vrije tijd beoefend. Hun ouders, die de meer statische sporten zoals kegelen beoefenden, waren daarentegen nog niet bekend met dit soort ‘wildere’ contactsporten. Sporthistoricus stelt dat de ouders zich dan ook zorgen maakten dat hun kroost veranderde in schorriemorrie dat wild achter een bal aanrende. De jongens lieten zich hierdoor echter niet uit het veld slaan. ‘Ze zagen de komst van de dynamische sporten als een mogelijkheid om zich af te zetten tegen hun ouders met hun traditionele sporten’, legt Luitzen uit.

‘Sport onttrok zich aan de grenzen van de verzuiling.’

De jongens waren na hun kostschooltijd nog niet uitgespeeld: thuis kregen ze hun gymnasiumvriendjes ook het veld op. Hierdoor verspreidden teamsporten zich al snel door Nederland en werden de eerste verenigingen opgericht. Men vond teamsporten zoals voetbal leuk om naar te kijken en dus kwam er al snel, tegen een kleine betaling, publiek bij wedstrijden. Zowel de rijke families als het gewone volk zaten op de tribunes te juichen. Toen de elitaire jongens aan het eind van de negentiende eeuw de familiebedrijven in Nederlands-Indië moesten voortzetten, kwamen de teams spelers tekort. Enthousiastelingen uit lagere klassen pakten hun kans en zo veranderden elitaire teamsportverenigingen langzamerhand in volksverenigingen. Gedurende de twintigste eeuw werden de teamsporten steeds populairder en vooral de niet-verzuilde sportclubs trokken veel spelers en publiek, vertelt Marjet Derks, sporthistoricus aan de RU. ‘Sport was dus een moderne vrijetijdsbesteding geworden die zich onttrok aan de grenzen van de verzuiling.’

Heden: Professionalisering en consumering

Na de ontzuiling is de ledensamenstelling van teamsportverenigingen wel nog diverser geworden. Toch hebben sommige sportverenigingen een meer elitaire status dan andere. Dit elitarisme is nu gebaseerd op de professionaliteit van clubs. ‘Steeds meer functies die eerst door vrijwilligers van een vereniging werden vervuld, worden nu door professionals overgenomen’, vertelt Hidde Bekhuis, socioloog en sportdocent aan de RU. Dit gebeurt vooral bij verenigingen met leden uit een hoge sociaaleconomische klasse. ‘De professionalisering kan tot stand komen omdat de elitaire leden met een hoge positie op de arbeidsmarkt weten hoe ze dit moeten doen’, legt Bekhuis uit. Professionalisering is dus onlosmakelijk verbonden met het elitarisme van een club. Neem bijvoorbeeld hockey: de hoge status van deze verenigingssport blijft in stand door het sociale netwerk van de leden met een hoge sociaaleconomische status. Bekhuis verklaart dat mensen in dit netwerk kennis hebben van de etiquette van de vereniging waardoor ze worden geaccepteerd in de club. ‘Vaak wordt dit doorgegeven van ouder op kind en blijft de ongelijkheid in stand.’ Vrijwillige bijdragen, zoals het draaien van een bardienst, worden door professionalisering niet meer gedaan door deze elitaire leden, maar uitbesteed aan betaalde medewerkers. ‘Dit wordt gedaan omdat de leden zijn veranderd in consumenten die tegen zo min mogelijk inspanning hun ‘goed’ sport af willen nemen’, stelt Bekhuis.

Men ziet sport steeds meer als product dat kan worden afgenomen naar eigen wens.

In de individualistische samenleving vindt men zijn eigen tijd en moeite namelijk belangrijker dan de sociale baten die het draaien van een bardienst opleveren. Bij de minder geprofessionaliseerde clubs, zoals amateurvoetbalclubs, draaien leden die diensten nu grotendeels nog wel zelf. Ook binnen deze volkssportclubs is professionalisering echter steeds meer een trend aan het worden. Bekhuis vertelt dat net zoals bij de elitaire clubs, betalen leden liever een hogere contributie dan dat zij vrijwilligerswerk moeten doen. In de gehele individualiserende maatschappij ziet men sport steeds meer als product dat kan worden afgenomen naar eigen wens.

Toekomst: Het einde van de vereniging?

Steeds meer mensen kijken dus met een consumentenblik naar hun club. Bekhuis voorspelt dat in 2030 nog maar twintig procent van de leden actief zal zijn als vrijwilliger. In 2015 was dat nog veertig procent. Dit is niet zonder gevolgen, stelt Bekhuis. ‘Het gevaar bestaat dat er veel minder binding is met de vereniging.’ Sportverenigingen zullen hier met hun aanbod op inspelen, waardoor vrijwilligerswerk en dus de binding nog verder zal verdwijnen. Bekhuis vertelt dat clubs steeds hybrider zullen worden en geen echte leden meer zullen hebben, maar enkel consumenten. Verenigingen veranderen in bedrijven waar je net zoals bij het Radboud Sportcentrum geld betaalt voor een strippenkaart voor trainingen met anderen, maar niet echt lid meer bent. Dit consumentensentiment heeft vooral grootse gevolgen voor de volkssportverenigingen aangezien die niet uit zichzelf besluiten om het anders te doen.

‘Je zou kunnen zeggen dat veel voetbalclubs ten dode zijn opgeschreven.’

Voor vrijwilligers weegt het sociale aspect niet op tegen de tijd en moeite die daarin moeten worden gestoken. De clubs zien steeds meer vrijwilligers opgeven en zijn daardoor gedwongen om te professionaliseren. ‘Zij hebben daar echter de kennis noch de middelen voor’, zo stelt Bekhuis vast. ‘Als deze ontwikkeling zich doorzet, zou je kunnen zeggen dat heel veel voetbalclubs ten dode zijn opgeschreven.’ Dat er steeds minder vrijwilligers zijn, gaat bovendien ten koste van de sociale cohesie binnen onze maatschappij. ‘Leden die voor hun vereniging vrijwilligerswerk doen hebben meer sociaal vertrouwen en dragen daardoor veel bij aan die cohesie’, vertelt Bekhuis. In andere woorden, ze zijn prosocialer dan sporters die zich gedragen als consument. Zonder de verbindende schakel van vrijwilligers zullen mensen steeds vaker op zichzelf zijn. De individualisering zet zich dus verder voort. De teamsportvereniging lijkt gedoemd te zijn tot krimpen, maar Bekhuis verzekert dat de bal altijd zal blijven rollen.

Gerelateerde artikelen

Laat een reactie achter