Home Papieren ANSBladartikelen De Dwarsdoorsnee: Verloren vriend

In het normale leven is rechtenstudent Sjoerd Bakker vooral bezig met het schrijven en interpreteren van wetsartikelen en jurisprudentie. Buiten het recht om laat hij de strikte verwijzingen achterwege en komt de verbeeldingskracht tevoorschijn. In deze column beschrijft hij een gebeurtenis waarbij de lezer met selectieve context midden in het verhaal valt.


Deze column verscheen eerder in de eerste editie van ANS 2020-2021.

Ik liep over de verlaten rotonde richting het Cultuurcafé. Buiten ging ik aan een tafeltje zitten. ‘Geef me de soep van de dag maar’, zei ik tegen een serveerder terwijl ik mijn bril afzette en de menukaart terug op tafel legde. De herfst was net begonnen en de bladeren lagen alweer op de weg. Terwijl iedereen binnen plaatsnam, genoot ik er juist van om buiten in de kou even frisse lucht te kunnen ademen. Wachtend op mijn soep dacht ik na over het gesprek dat ik zou gaan voeren. Ik had afgesproken met een oude vriend. Zouden we het over onze eerste zoen in het kleedlokaal van de gymzaal gaan hebben? Of over die keer dat ik bij zijn ouders op bezoek was en zijn vader kaarsvet over de vloer morste?

‘Ik stond stil bij de onuitgesproken pijn die bij ons allebei nog aanwezig is.’

Plotseling blies een koude wind stevig in mijn nek. Voor een kort ogenblik ontwaakte ik uit de gedachtestroom. Heb ik me wel warm genoeg aangekleed? Moet ik toch niet de warmte opzoeken? Voor ik het goed en wel doorhad, dwaalde mijn aandacht weer af. Een ongemakkelijk gevoel bekroop me toen ik nadacht over de momenten waarover we het niet wilden hebben.Ik herinnerde me die keer dat ik op bezoek kwam bij de kliniek waarin hij was opgenomen en het zo uit de hand liep. De vreselijke verwijten en verwensingen die ik naar mijn hoofd kreeg gesmeten en hoe het toen eindigde met die dwangbuis. Ik begon te trillen terwijl ik stilstond bij de onuitgesproken pijn die bij ons allebei nog aanwezig is.

De bezoeken werden sporadischer en hielden op een gegeven moment op te bestaan. Ik voelde me vooral schuldig op momenten dat ik van anderen steeds slechter nieuws te horen kreeg. Af en toe zag ik mezelf als een egoïst omdat ik alleen de man wilde zien op wie ik als tiener verliefd werd. ‘Alstublieft, de champignonsoep’, zei de serveerder terwijl hij mij uit mijn gedachten wekte. ‘Weet u zeker dat u niet binnen wilt plaatsnemen?’ Ik at een beetje soep en proefde de herfst. ‘Dat weet ik zeker’, garandeerde ik hem. De soep verwarmde mijn afgekoelde lichaam en verdreef mijn twijfels over de kou. De zomer mag dan misschien voorbij zijn, maar als ik straks mijn verloren vriend weer te spreken krijg, zal het lijken alsof de lente net begint.

Gerelateerde artikelen

Laat een reactie achter