Home Opinie & AchtergrondOpeningsartikel Goed gekeurd?

Goed gekeurd?

door Redactie

Jaarlijks publiceren Keuzegids en Elsevier een ranglijst van de beste universiteiten. Hoewel universiteiten graag pronken met deze keurmerken, is een rangschikking gebaseerd op studententevredenheid discutabel. De RU zou daarom twee keer moeten nadenken voordat ze van de daken schreeuwt dat ze beste van Nederland is.

Tekst: Julia Mars en Floor Toebes
Illustratie: Bibi Queisen

Dit artikel verscheen eerder in de vijfde editie van ANS.

Rector magnificus Han van Krieken kan de vlag uithangen: in 2019 mag de Radboud Universiteit (RU) zichzelf volgens Keuzegids weer de beste klassieke universiteit van Nederland noemen. Elk jaar publiceert zowel Keuzegids als Elsevier een ranglijst van beste universiteiten van Nederland. De RU komt vaak uit de bus als het beste jongetje van de klas en is ook niet te bescheiden om hiermee te pronken. Het keurmerk is terug te zien op de website, op de open dagen en in de flyers. Bij het gebruik van de keurmerken kunnen echter flink wat vraagtekens worden gezet en het is maar de vraag hoe veel waarde de titel van beste universiteit echt heeft. Dus ‘beste’ RU: denk twee keer na voordat je de vlag uithangt.

openings400xEen grote tRUc
De RU mag zich volgens Keuzegids met 63 punten prijzen als beste klassieke universiteit. Een klassieke universiteit biedt uit de meest diverse vakgebieden studies aan. Binnen deze categorie zijn de verschillen echter minimaal: Groningen volgt de RU met een score van 62,5 en de ‘slechtste’ universiteit, de Universiteit van Amsterdam, heeft alsnog 54 punten. Daar komt nog eens bovenop dat de scores elk jaar vrijwel hetzelfde zijn. ‘Nijmegen en Groningen verschillen eigenlijk nauwelijks in score’, beaamt Han Werts, teamleider Institutional Research aan de RU. ‘Het gaat in dit geval om een verschil van een half puntje.’ 

Een verschil van een half punt in een tevredenheidsonderzoek is te beperkt om een hard onderscheid te maken en een winnaar uit te roepen. Dat weet de RU zelf ook, maar doet daar niets mee. ‘Als de RU op de eerste plek terechtkomt, dan weten we zelf ook wel dat het verschil met de tweede plek eigenlijk nietszeggend is’, zegt Werts. ‘Maar de resultaten worden wel zo gepubliceerd. Daar maken wij als marketingafdeling gebruik van.’

Overhaaste generalisatie
Bas Belleman, hoofdredacteur van de Keuzegids, legt uit: ‘We kijken naar de studentoordelen uit de Nationale Studenten Enquête (NSE), maar ook naar studiesucces en expertoordelen.’ De studentoordelen tellen echter wel heel zwaar mee, namelijk voor 70 procent. ‘Studenten krijgen allemaal dezelfde vragen in de NSE en daar maken wij een selectie uit. Zo komen we tot oordelen per opleiding en op basis daarvan worden de ranglijsten gemaakt.’ Allemaal leuk en aardig bij het vergelijken van studies, maar bij het vergelijken van universiteiten gaat deze vlieger niet op. Want hoeveel studiezaken zijn nou echt universiteitsbreed? Tandheelkundestudenten zijn op de RU letterlijk en figuurlijk ver verwijderd van studenten bij Letteren maar toch worden in de totstandkoming van de keurmerken de meningen van alle studenten op een hoop gegooid. Als tandheelkundestudenten heel positief zijn over werkplekken maar studenten Letteren zijn dat juist niet, dan krijg je een gemiddelde tussen die twee tegenpolen. De verschillen tussen Tandheelkunde en Letteren zie je niet in een ranking van instellingen. Deze kun je alleen vinden in de ranglijst van opleidingen.

In een universiteitsranking kan een slecht beoordeelde faculteit zomaar meeliften op het succes van een andere faculteit. Samen behoren ze immers tot de ‘beste’ universiteit. Dit toont aan dat het generaliserend werkt om de tevredenheid van alle opleidingen over een kam te scheren. Het keurmerk is op deze manier voor de studiekiezer niet relevant.

Een simpel keurmerk is helemaal niet zo veelzeggend.

Representativiteit
Naast de manier van rangschikken zou het kunnen dat er wat rammelt aan de onderzoeksmethode van keurmerken. Keuzegids en Elsevier baseren hun ranglijsten grotendeels op de NSE. In deze enquête worden vragen gesteld om te achterhalen hoe tevreden studenten zijn over hun universiteit. Deze enquête wordt door 37 procent van alle studenten ingevuld. Dit zijn in absolute getallen veel respondenten, maar toch betekent dit niet per se dat het resultaat betrouwbaar is.

Er zijn grote verschillen in responsiepercentages tussen universiteiten. ‘In Rotterdam is de respons bijvoorbeeld 28 procent en in Maastricht is dat 47 procent’, vertelt Jelke Bethlehem, hoogleraar in de survey-methodologie aan de Universiteit van Leiden. ‘Er is dus een hele grote groep studenten die wel meedoet in Maastricht en niet in Rotterdam. Als er dan een verschil is tussen deze twee universiteiten moet je je afvragen: is er echt een verschil in tevredenheid of komt het door de non-respons? Het beste is als de responsiepercentages hoog en gelijk zijn, maar dit is helaas niet het geval.’ Met een responsiepercentage van 37 mis je een te grote groep en je kunt je afvragen of dat gevolgen heeft voor de betrouwbaarheid. ‘Wat ook een probleem van non-respons is’, gaat Bethlehem verder, ‘is dat de non-respondenten er vaak heel anders over denken dan de respondenten.’ Wie deze non-respondenten zijn, kan vanwege de nieuwe privacywetgeving niet worden onderzocht. Daarom wordt dit niet meegenomen in de resultaten van de NSE. Helaas blijft het om deze reden onduidelijk welk deel van de Nederlandse studenten nou eigenlijk wordt vertegenwoordigd.

Het rangschikken van universiteiten levert vooral misleidende informatie op. Een simpel keurmerk is dus helemaal niet zo veelzeggend. Het is vooral een goede marketingtruc van de universiteit. Reclame maken is natuurlijk niet verboden, maar als de RU als doel heeft om kritische studenten op te leiden, dan is het de hoogste tijd dat ze deze kritische houding ook zelf aanneemt.

Gerelateerde artikelen

Laat een reactie achter